Gerard Baltissen, (1798)

Historisch is ook het relaas van een Venrayse ingezetene, die op 24 december 1798 door een eenheid Franse huzaren gedwongen werd hen door de Peel te gidsen naar Gemert (ongeveer 24 km). Hij heette Gerard Baltissen, geboren 17 juli 1744 te Venray, zoon van Peter Baltissen en Hendrina Hoefs. Gerard woonde met zijn vrouw Lamberdina Sweijen en hun kinderen in een kleine boerderij aan het eind. Een akkerman die hard moest werken om aan een karige kost te komen. Enkele dagen voor Kerstmis 1798 kwam een contingent franse miliciens in Venray aan en nestelde zich in het centrum van het dorp met de bedoeling zich door middel van plunderingen te verzekeren van voldoende ingrediënten voor een omvangrijk kerstmaal. Aangezien Venray in de voorbije maanden al vaker het doelwit van zulke Franse strooptochten was geweest en de dorpsbevolking gebukt ging onder een zichtbare armoede, was het de indringers spoedig duidelijk dat hier niets te halen viel. Derhalve besloten zij op 24 december hun geluk te beproeven aan de overkant van de Peel in Gemert, een Franse enclave in het departement Brabant van de Bataafse Republiek. Normaal was het zes uren gaans, (29 km recht toe) maar gezien de op die dag heersende weersomstandigheden rekende men op zeven uur.De bevelvoerend officier, onvoldoende op de hoogte van de begaanbare wegen, zeker met zoveel stuifsneeuw, gelastte de landman Gerard Baltissen de eenheid als gids door de Peel te begeleiden. Bij het invallen van de schemer werd door de trompetter verzamelen geblazen. De stoet vertrok vanaf de Markt, via de Hoenderstraat, langs het St. Oda-kapelletje naar Merselo. Aan bet begin van de dichtgesneeuwde Peelvlakte was het akelig stil. Gerard Baltissen voerde de troep over de Bakelse Dijk tot even voor­bij de Brabantse grens. Daar ging hij over op de vaarweg die door De Oude Peel naar Gemert leidde. Het liep al tegen middernacht toen men deze plaats bereikte en Gerard Baltissen voor de hem afgedwongen dienst werd bedankt. De soldaten installeerden zich met enig geweld in enkele herbergen en deden zich op brutale wijze tegoed aan spijs en drank. Gerard Baltissen sliep die nacht bij kennissen. Het was ‘s anderendaags nog vroeg in de ochtend, toen hij met de gastvrije familie voor de kerstviering ter kerke ging. Daarna werd een sober ontbijt genomen. Tegen tien uur maakte Gerard Baltissen aanstalten om naar Venray terug te keren. Het weer was bar en boos. Een ijzige wind uit het noordoosten joeg zoveel bevroren sneeuw over de Peelvlakte, dat de man een aantal oriëntatiepunten niet terug kon vinden. Bij het invallen van de duisternis was hij volledig de weg kwijt geraakt. Steeds moeizamer voortstrompelend, bevangen door de kou en met een begin van bevriezing in zijn ledematen ontdekte hij, dank zij bet flauwe schijnsel van de maan, op niet al te verre afstand een schaapskooi. Hij sleepte zich erheen. Maar plotseling klonk door de stilte hot vlijmscherpe gehuil van een aantal wolven. Gerard Baltissen besefte dat zijn leven op bet spel stond. Op zijn allerlaatste krachten probeerde hij de schaapskooi te bereiken, maar voordat hij daarin slaagde viel hij bewusteloos in de sneeuw terwijl zijn belagers naderden. Hij zou ongetwijfeld verscheurd zijn, wanneer zich in de schaapskooi niet een herder met zijn twee schaapshonden had bevonden. Hij verzorgde en bewaakte daar de kudde van Laurent Claessens uit Merselo (Stieneplats). Hij lag diep onder het stro te slapen, toen hij gewekt werd door bet aanhoudend geblaf van de honden. Het gehuil van de wolven kwam van zeer dichtbij. Meteen sloeg de herder zijn mantel over de schouders, greep zijn gereed staande snaphaan (ruiterkarabijn) en ontgrendelde de deur van de schaapskooi.

snaphaan.jpg

Snaphaan

De honden stoven nijdig blaffend en grommend de nacht in, terwijl hij riep: ,,Pak ze, pak ze!” Niet ver van de deur ontwaarde hij in de sneeuw de liggende gestalte van een mens, terwijl op slechts een tiental passen daar vandaan de schimmen van drie wolven zichtbaar waren. Op de schoten uit de snaphaan sloegen zij met tegenzin op de vlucht. Gerard Baltissen was voorlopig gered. Nadat de herder hem in de schaapskool met stro had over­dekt, voorzag hij zijn snaphaan van een nieuwe kruitlading, nam zijn herdersschop en ging naar Merselo om hulp te halen. Hij betwijfelde of Gerard Baltissen nog wel leefde. ,,Héj was zô verdommos stief en kâlt”, verklaarde hij tegenover Laurent Claessens die onmiddellijk zijn twee naaste buren en de rector van Merselo alarmeerde. De rector haalde meteen de pyxis uit de kerk en maakte zich gereed om mee te gaan, teneinde indien mogelijk de stervende nog van de laatste sacramenten te voorzien. (De pyxis is een rond doosje om de gesacreerde hosties in te bewaren.Intussen had Laurent Claessens zijn paard voor de slede gespannen. Gezamenlijk trokken ze naar de Vredepeel, waar de schaapskooi lag. Gerard Baltissen was nog steeds buiten kennis. Volgens de rector was de polsslag nog voelbaar, zodat hij hem het Heilige Oliesel toediende. Vervolgens legde men de bewusteloze tussen enkele bossen stro op de slede en bracht hem naar Stieneplats. Daar had Anne-Marie, de vrouw van Laurent Claessens, onder de grote schouw een vuur aangemaakt en bij het pijpenaarde Mariabeeldje een kaars aangestoken. Gerard Baltissen werd zo dicht mogelijk bij het vuur gelegd, waarna hij onder heftige pijnen het bewustzijn terugkreeg. Maar de abrupte ,,ontdooiing”, veroorzaakt door het haardvuur had fatale gevolgen voor hem. Enkele dagen na zijn opname ten huize van Laurent Claessens zag deze zich genoodzaakt een beroep te doen op de meesterchirurgijn Gerard Roefs te Venray. Roefs stelde vast dat bij Gerard Baltissen alle vingers van beide handen afgestorven waren, zodat amputatie noodzakelijk was. De chirurgijn voerde de afzetting van de eerste drie vingers uit met assistentie van Gerard Raeymaeckers, doktor in de medicijnen. Gerard Baltissen werd tevoren, bij wijze van verdoving en om aan de onvermijdelijke pijnen beter weerstand te kunnen bieden, stomdronken gevoerd. De operatie gebeurde op een zware houten tafel, waarop de patiënt stevig werd vastgebonden. De heelmeesters waren potige en buitengewoon handige lieden die bij de ingreep zeer snel en efficiënt te werk gingen. De armen en handen van Gerard werden vastgegespt op een dikke plank. De eigenlijke amputatie gebeurd middels een paar zuiver gerichte houwen die de drie zwart gekleurde vingers voor goed van de hand scheidden. De wonden werden meteen in azijn gedrenkt, afgedekt met fijn linnen dat ingesmeerd was met het wit van een ei en ten slotte omwonden met linnen zwachtels. Terwijl het voorhoofd en de armen van de ongelukkige bedekt bleven met natte kompressen tegen mogelijke wondkoorts, hielden familie en vrienden een noveen tot Onze Lieve Vrouw, Behoudenis der kranken, te Oostrum.

vrouwe-ter

Onze Lieve Vrouwe heden ten dage.

route gerard.JPG

De route van Gerard van Venray naar Gemert

Stieneplats Merselo.gif

Stieneplats (nu gemetseld), de schaapskooi in Merselo (toen Meerslo) waar Gerard werd geopereerd.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s